zaterdag 4 mei 2013

Voorbij het schone ...


'In fact…everybody is his own philosopher…'
(Albert Hofmann, Conferentie 'Psychoactivity' in het Tropenmuseum te Amsterdam, 3 oktober 1998)



In moderne intellectuele kringen heb ik vernomen dat de wijsgerige geschriften van Jean François Lyotard getuigen van een historisch pessimisme. Grote idealen komen voort uit het geloof in absolute waarden. Lyotards postmoderne mens, die het geloof in de grote idealen relativeert, zou daarmee iets wezenlijks begraven, namelijk: de fundamenten van zijn ethiek en handelen. Omdat Lyotard het einde van de Grote Verhalen (metaécrits) aankondigt, waarmee hij waarschijnlijk bedoelt dat alle grote dogma's en idealen uit de geschiedenis niet tot de bevrijding der mensheid hebben geleid, zou hij zich hiermee schuldig maken aan het veroorzaken van een geschiedfilosofische 'crisis'. Immers, waar moeten wij heen met onze indelingen en categorieseringen als geen van allen de waarheid lijkt te representeren?
Jean Francois Lyotard is, u raadde het al, mijn Goeroe, leraar en held. Aangenaam, bij deze. Denksystemen die pretenderen dat de mensheid orde op zaken kan stellen moeten volgens hem als verouderd worden beschouwd. Wanneer wij ons dit idee hebben eigen gemaakt, ontstaat het postmoderne levensgevoel. Dit gevoel, dat ik door en door ken, wil ik in dit hoofdstuk van mijn verhaal verduidelijken. Het is een gevoel; een antipathie tegen de neiging de werkelijkheid te willen beheersen door haar allerlei structuren op te leggen. Het is als een vriendschap aangaan met de chaos die om ons heen heerst. Dit gaat hand in hand met het zoeken naar het verschil. Uiteindelijk het leren respecteren van het verschil…

In de eerst fasen van ons leven hebben wij nog niet genoeg levenservaring om datgene wat wij in ons opnemen te relateren aan onze omgeving. Een kind leeft totaal in zijn eigen werkelijkheid. Deze werkelijkheid wordt gevormd door de intuïtie en het gevoel. Het kind is als het ware een onbeschreven blad, waarvan de leegte opgevuld wordt door indrukken en ervaringen. Alleen in de allereerste momenten van bewustzijnsbeleving beschouwen we de wereld zoals hij is. Momenten daarna worden als het ware 'bezoedeld' door conditioneringen opgelegd door onze ouders. We leren van hen hoe de wereld in elkaar zit en zolang wij nog hulpeloos zijn, kunnen wij niet anders dan ons dit wereldbeeld eigen maken. Het bewustzijn van de hulpeloze wordt verleid door de waarden van de ouders. Het kind is datgene geworden wat zijn omgeving hem heeft gemaakt. Hier onstaat ook de Rede, die voor ons beslissingen maakt in willen en handelen. Wanneer er een conflict ontstaat tussen het gevoel en de Rede vragen wij onszelf af wie wij nu eigenlijk waren. Maar deze herinnering ligt niet meer aan de oppervlakte. Met andere woorden: het Superego (Uberich) of onze inbedding heeft de plaats ingenomen van het kinderlijke (Ich). Het 'kindzijn' wordt naar het onderbewuste getransporteerd. Het wordt nu steeds moeilijker te achterhalen wie wij eigenlijk zijn en wij zijn vergeten dat onze cultuur enkel een inbedding is. De cultuur verschijnt voor het kind in de gedaante van waarheid. 'De pedagogie wordt al gauw propaganda.' 

Deze gedachten (geboren in de Freudiaanse jaren 70) zijn een grondlegger van het idee dat de mens in principe onschuldig is. Immers, wanneer een kind nog niet bewust is wordt het 'volgegoten' met ideeën waartegen hij/zij zich niet kan verzetten. Wanneer er, eenmaal wat ouder, gecommuniceerd wordt met leeftijdgenoten die als een spiegel zijn, leert het kind (het subject) zichzelf kennen. De behoefte om op zoek te gaan naar eigen ideeën, die niet van de ouders komen, groeit. Door grenzen te overschrijden worden de eigen waarden ontdekt. Hierbij is het essentieel dat die van de voorgangers veroordeeld worden. Door te oordelen en veroordelen wordt een eigen paradigma gevormd. Alleen met dit afzetten tegen de ouders, kan een kind zich profileren. Het oppositiedenken in goed en kwaad, wel en niet, mooi en lelijk, heeft een kind ook geleerd van z'n ouders. Zij hebben op hun beurt ook eigen denkkader gecreëerd door anders te denken dan hun voorouders. In wezen een goed uitgangspunt. Wanneer je wilt weten wat je waarheid is, moet je er eerst zelf achterkomen en keuzes maken! Dit is als een spel, een labyrint of een bouwwerk. Wanneer je stap B doet moet je eerst A achtergelaten hebben.
 

Het verhaal van het kind dat groeit zie ik als een metafoor voor de geschiedenis van de mensheid. 'De mensheid' (een begrip) is ook op zoek gegaan naar datgene wat hij aan de horizon zag. Het zoeken naar de pot goud onder de regenboog. 'Het is allereerst een fysische verhaal, het gaat alleen over energie en over materie als energietoestand. De mens wordt erin gezien als een complex materieel systeem… ' zo zei Lyotard . De mensheid heeft zich ontwikkeld door telkens zijn voorganger op te volgen en zich er tegelijkertijd ook tegen af te zetten. Crisis, oorlog en revoluties versnelden de ontwikkeling. Ontwikkeling door civilisatie en technische vooruitgangen, ontwikkeling in denken en wetenschappen, ontwikkeling in culturele waarden en normen. Maar eigenlijk is het ten onrechte dat de mens zich erop beroept dat ze met hun intelligentie de motoren van de ontwikkeling zijn, en dat ze deze ontwikkeling verwarren met de vooruitgang van de beschaving en van het bewustzijn. Ze zijn er slechts de producten, de voertuigen en de getuigen van. Ontwikkeling is geen middel tot vooruitgang; het is in weze de pedagogie van de aarde zelf. 

De man die ontdekte dat de aarde niet plat maar rond was, is niet veel gelukkiger geworden van zijn uitvinding. Hij haalde met zijn uitvinding alle fundamenten van de heersende gedachten onderuit en dat werd hem niet in dank afgenomen. Voor de meeste leken echter was de aarde nog steeds zo plat als een dubbeltje, zij ervaarden het zo en geloofden daarin. Toch veranderde op den duur sterren en planeten die men aan de hemel zag, van goden die het leven beheersten in nutteloze lantarentjes aan de hemel. De ontdekkingen van de wereld de mensheid zich machtig doen laten voelen. Machtig over zijn moeder: de aarde. Men wist nu iets dat zij niet hadden kunnen weten wanneer zij niet op onderzoek uit waren gegaan. Nieuwsgierigheid werd gevoed. Met de wetenschap dat de aarde rond was en om haar as draaide had men de wapens in gereedheid gebracht; metingen en formules maakte nu de dienst uit. Goden werden verbannen naar de onderwereld; voor het onbewuste roerige tijden. De mentaal rationele wereldvisie was geboren en de aarde werd in het vervolg alleen nog maar verklaard, niet meer geloofd ('Ik kan weten wat ik kan meten'). Wetenschap heeft hier de oorspronkelijke betekenis der natuur vervangen door een nieuwe. Een centrale positie voor de mens, die met zijn stel hersens de wereld kan verklaren. Demystificatie van Moeder Aarde. Zo verloor de maan zijn symbolische waarde toen Armstrong erop landde. De maan was ook materie geworden.

De grootste ontdekkingen uit de geschiedenis zijn momenten geweest waar de gelovigen zich onbehaaglijker gingen voelen. De kloof tussen ervaring en verstand werd groter en breder. Als het kind dat van zijn moeder leert dat seks voor het huwelijk niet mag, maar weet dat het wel veel lekkerder is. De eerste regels van wetten en orde voortvloeiend uit deze bevindingen, zijn gestoeld op het idee van de universele waarheid. Ideeën, concepten en methoden, gevormd door de Rede, deden ons dingen aannemen die buiten ons ervaringsveld lagen…
 De onderzoekende aard van de mens komt voort uit een verlangen naar vrijheid. Vrij van God misschien? Of vrij van het culturele onbehagen? Of een bevrijding van de mensheid uit de metafysische, o zo krachtige natuur? 'Cultuur bestaat erin de invloed van het lot, het leiden en de eindigheid, die het leven van de individuele of collectieve subjecten kenmerkt, te verdrijven.' Zoals de Dolle Mina's in de jaren 60 vochten voor 'baas over eigen buik' en zij zich verzetten tegen de heersende rolpatronen tussen man en vrouw, zo heeft de mensheid zich altijd afgekeerd tegen de heersende orde om vervolgens een nieuwe te creëren. Deze strijd is altijd offensief geweest. Elke periode van de geschiedenis ging vergezeld van een omverwerping van overtuigingen en van de ontdekkingen hoe weinig werkelijk de werkelijkheid is, die nauw samenhangt met het uitvinden van andere werkelijkheden. De evolutie van Ideeën. We selecteerden gebeurtenissen uit de geschiedenis die ons van het grootste belang leken, analyseerden die en probeerden een zo treffend mogelijke voorstelling van de wereld en haar verloop te maken. De reden hiervoor was: systemen vastleggen die andere tegenspreken, herzien en weerleggen. Het doel was de emancipatie. Vrijheid en niet langer onderworpen zijn aan heersende systemen. Emancipatie door vijandigheid tegenover het andere, het onbekende. Voortdurend moest men opkomen voor rechten van de minderheden, de derde wereld, de burgerrechten. Hiervoor moesten petities ondertekend, commissies in het leven geroepen en boeken gepubliceerd worden. Lyotard heeft gezegd dat hij deze onwikkelingen positief vindt omdat ethisch gezien de rechtvaardigheid in stand gehouden moet worden. Hij zegt: 'op deze manier kunnen we het gevoel levend houden dat onze strijd voor emancipatie wordt voortgezet. En dat is ook niet onjuist.' Volgens hem is het verlangen naar emancipatie iets wezenlijks in de mens en moeten hij hiermee doorgaan. Alleen de manier waarop dat gebeurt moet veranderen. Hij zegt: ' er is echter een directe aanwijzing dat de aard van de strijd is veranderd, namelijk de geringere prijs die ze ons kost, waarmee ik doel op de energie en de tijd die de kritische praktijk van ons vergt. Die afname geeft duidelijk aan dat onze strategie is overgegaan van het offensief in het defensief. Onderzoeken hebben uitgewezen dat verdediging zo'n tachtig procent minder energie kost dan aanval. Dit is dus een goede ontwikkeling. Het zou kunnen betekenen dat de voortgaande emancipatiestrijd veel minder 'kracht' kost dan vroeger het geval was. Het resultaat is echter niet hetzelfde: 'emancipatie staat niet meer dan een alternatief tegenover de werkelijkheid, als een ideaal dat tegen haar in veroverd en haar van buitenaf opgelegd moet worden. Ze is eerder één van de doelen geworden die het systeem zelf nastreeft op gebieden als arbeid, belasting, markt, gezin, seksualiteit, ras, school, cultuur of communicatie. (…) Emancipatie wordt realiteit.' Hiermee bedoelt Lyotard waarschijnlijk dat de emancipatie nu een middel is geworden tot in stand houding van het systeem, terwijl deze nu juist de mens gevangen houdt. Het ziet ernaar uit dat de mens zijn vrijheid niet moet zoeken in zijn verlangen de ontwikkeling te beheersen…

De twintigste eeuw heeft vele regimes gekend. Fascisme, nazisme, communisme- die heel verschillende organisatievormen aan de gemeenschap probeerden op te leggen. Een verbazingwekkende versnelling, de generaties struikelden over elkaar. De onderlinge strijd is nu afgelopen. Zelfs het oudste en grootste 'verhaal' van de westerse samenleving: het christendom, heeft geen vat meer op de heersende politieke, sociale en maatschappelijke orde. De samenleving kent geen zuilen meer, enkel eilanden. Ook het Marxisme, dat eveneens het ideaal van de proletarische vrijheid in zich droeg, is met de val van de Berlijnse muur weggeschreven in de laatst gedrukte geschiedenisboeken. Juist deze veelheid aan 'ismen' heeft de twintigste eeuwse mens leren relativeren. Toch lijkt het nog steeds zo te zijn dat het kapitaal als winnaar uit de strijd is gekomen. Het kapitalisme draagt er echter wel zorgvoor dat wij nog steeds naar onze buurman kijken die in een snellere en dikkere BMW rijdt. Is dit vrijheid? 

Volgens Lyotard is de paradox van de democratie als een motor voor het kapitalisme: de hoogste instantie, het 'fundament' van de beslissingen over de gemeenschap, komt voort uit een beslissing van de gemeenschap zelf. Zo blijft de transcendentie of 'doorzichtigheid' die verbonden is met de wet en regering immanent aan de identiteit van de gemeenschap. De lege plaats van de autoriteit is een goed voorbeeld van het 'wit' of die leegte die het 'open' systeem koestert om zijn eigen prestaties beter aan kritiek te kunnen onderwerpen, te corrigeren en aan te passen. Een mooi metafoor dat Lyotard gebruikt voor die autoriteit is: als de vaderfiguur die gekozen wordt door de gemeenschap van zonen en dochters. 'De staat als moment van het zelfbewustzijn van het volk, de uniciteit van de wereldgeschiedenis; hierin herkennen we de grondmotieven van de politieke filosofie en praktijk van het moderne Westen.' 
Dat autoriteit meer een kwestie van interpretatie dan van argumentatie is heb ik geleerd van een andere Franse denker. De wil tot macht wordt door Foucault beschreven als één van de wezenskenmerken van de mens. Zijn gedachtegoed borduurt voort op die van zijn voorganger in machtsfilosofie: Nietzsche, die ook al over macht als oerdrijfveer van het menselijk bestaan schreef. Zijn Übermensch had vele morele codes nodig om macht uit te kunnen oefenen. Foucault zag macht eerder als iets ontschuldigs. Iets dat vanzelf ontstaat wanneer wij ons onderwerpen aan het vertoog. Onderwerping door blootlegging, openheid van ideeën. Dus ook in sociale relaties is er sprake van een machtsverhouding en hiermee komt de luisteraar opeens in een ander daglicht te staan. Zo is bijvoorbeeld in de biecht niet de pastoor of priester degene die macht uitoefent, maar het wel heeft. Het wordt hem als het ware geschonken door de bekenner. De slachtoffers van het vertoog maken de machtsuitoefening. Daarom werkt het democratisch systeem zo goed, hier in het Westen. De wil tot consensus, openheid en vrijheid van mening is zo groot dat de bevolking zelf schuldig is aan de macht die zij de regering schenkt. Immers, een autoritair orgaan kan alleen macht uitoefenen als er onderdanen zijn. Zo houdt de mens zichzelf in gevangenschap. Foucault noemt dit fenomeen de macht van het vertoog: 'wij moeten weigeren ons te verzetten tegen de bekentenistechniek, want daarmee bekennen we niet.'

Wat mij steeds duidelijker wordt is dat mijn ontmoeting met de filosofie mij een 'non- believer' heeft gemaakt ('whatever you belief imprisons you'). 

Volgens het boek van een Amerikaanse Scepticus dat over 'conspiracy' theorieën vertelt luidt één van de wetten van de Discordianisten: 'Convictions cause convicts'. De schrijver (tegelijkertijd de hoofdpersoon) onderzoekt hierin verschillende theorieën, geloven en mystieke stromingen (de rozenkruisers, de vrijmetselaars etc.) die bedacht zijn in de geschiedenis, met als doel verlichting of 'de bevrijding van het ego' bereiken. Het Discordianisme is daar één van. Discordia is een van de ondeugden van de Middeleeuwse geest. Haar naam staat voor chaos of onredelijkheid, en zij is het stoute zusje van Concordia, dat harmonie betekent. Discordianisten beweren dat god een vrouw is en haar naam Eris. Eris is de godin van de twist, die de gouden appel tussen de gasten wierp tijdens het dineren van de goden . Op één van hun propaganda pamfletten staan 5 punten getekend die door het oog als een vijfhoek worden omgevormd. Deze Gestald-psychologische truck wordt door de atheologen toegepast om een knoopje in ons brein te leggen. Het onderschrift luidt:


'Which is real?
Do these 5 pebbles really form a Pentagon?
Those biased by the Aneristic Illusion would say 'yes'.
Those biased by the Eristic Illusion would say 'no': Criss-cross them and it is a star!
(…)
The real reality is there, but everything you know about it is in your mind and yours to do with as you like. Conceptualization is art, and YOU ARE THE ARTIST.'
 


Eén van de eerste discordianistische catma's is dat men 'verlichting' bereikt wanneer men zich realiseert dat de God Eris niet letterlijk bestaat, zoals al het andere dat niet letterlijk de waarheid hoeft te zijn. Verlichting en vrijheid betekenen hier hetzelfde, geloof ik!
Gelovigheid hoeft niet persé samen te gaan met onvrijheid. Enkel het geloof in dogma's, religies of systemen zorgt ervoor dat de dingen erbuiten als onwaar worden bestempeld. Dit geloven doet ons duaal en polair denken. Het doet ons dingen buitensluiten en als onwaar bestempelen. Wit en zwart. Waar dus onwaar. Het maakt ons lui en passief. Hier wordt een 'tunnel reality' gecreëerd; een steeds nauwer wordende blik die alles buiten het gezichtsveld van het systeem veroordeelt; niet ziet. Een perspectivische blik. Een pad dat aan de horizon verdwijnt. Wanneer je dingen buitensluit, sluit je jezelf in.
 

Lyotard geeft deze perspectivische blik de schuld van alle oorlogen en geweld in deze wereld. De altijd aanhoudende onvrede in Jeruzalem tussen de Israelische Joden en de Palestijnse Arabieren wil ik hier, indien u mij toestaat, als voorbeeld gebruiken. Lyotard heeft namelijk gezegd dat de Islam voordien het woord en de definitiviteit een lange tijd transcendent (doorzichtig) gelaten heeft. Hiermee bedoelt hij waarschijnlijk dat de Islam tot ongeveer honderd jaar geleden één van de meest open religies was. Later heeft de Islam het zwaartepunt toch weer bij de wereldse manifestatie van de macht gelegd. De Koran kan zich niet meer verenigen met de Bijbel. Het object van strijd in Jeruzalem is de Tempelberg, die in het centrum van de stad staat. Na de Romeinse verwoesting werd het een offerplaats voor Venus, daarna een Byzantijnse- en later een kruisvaarderskerk. Na Mohammeds nachtelijke bezoek vanuit Jeruzalem aan het paradijs, verrees hier de Al-Agsamoskee, de derde heilige plaats van de Islam. De klaagmuur, de oude muur voor de berg, wordt nu gebruikt door de Joden om voor te bidden. De plek is al eeuwen lang het focuspunt van meerdere 'tunnels'…vijandige blikken het resultaat. De partijen hebben hun zinnen gezet op een plek die voor beide bijzonder is. Arabieren en Joden zijn het oneens, terwijl de inhoud van hun argumenten eigenlijk hetzelfde is. Deze plek is heilig, hiervoor moet gebeden worden. Alleen de verschillende oog-en oorstrelende vormen die zij de plek toekennen zijn verschillend. Als ze de schoonheid konden inzien van hun verschillende paradigma's en daarmee de integriteit maar konden bewaren, dan hoefden zij niet langer tegen elkaar te strijden. 
'De strijder moet in zijn denken worden bevrijd, wil hij werkelijk vrij zijn' zei Lyotard eens. Deze gedachte was bij mij al naar boven gekomen toen ik zijn boeken nog niet kende. Misschien begrijpt u nu beter waarom juist deze filosoof mij zo'n grote dienst heeft bewezen. Hij was als een bevestiging voor mijn gedachten. Toen ik op zoek ging naar het Paradijs op aarde kwam ik erachter… 

Ik was op reis in het meest sprookjesachtige land ter wereld. De mystiek die de mensen en het land uitstraalden deed mij verstommen. Ik vond het zo mooi dat ik moest huilen om mijn eigen leven in het kapitalistische Westen. Ik kon niet anders dan me aanpassen aan hun waarheid, die bestond uit de schoonste Tempels en de grootste Goden. Na maanden rondzwerven en schoonheid in mij opzuigen kwam ik terecht in het Paradijs…dacht ik. Het strand was overladen met rust, palmbomen en het witste zand dat ik ooit had gezien. De zee sloeg wild tegen de rotsen. Ik sliep in een hutje op de grond, het dak bestond enkel uit wat gevlochten palmboombladeren. 'sOchtends kwam een visser zijn waar aanbieden en de verse vis smaakte alsof het voedsel der Goden was. Toch was mijn hart niet vervuld, en de dagen op het strand waren de eenzaamste in mijn leven. Deze eenzaamheid kende ik niet en mijn angst voor het onbekende deed mij huiveren. 'Hoe kon ik mij ongelukkig voelen in de mooiste plek die er op aarde bestaat?' vroeg ik me af. Het antwoord kwam vanzelf: 'het Paradijs is geen plek op aarde…het bestaat alleen in het hoofd.'
 Dit is ook wat Lyotard zich heeft gerealiseerd. De waarheid (het paradijs) ligt niet in de externe factoren zoals kapitaal, wetenschap, politieke systemen, een land of een ander persoon. De waarheid zit in onszelf. Kunst kan hierin een belangrijke functie vervullen, zo zei Lyotard. Kunst vervult ons namelijk van iets dat wij niet geheel kunnen begrijpen. Niet door middel van de Rede of het verstand. De zoektocht naar de betekenis van de esthetische ervaring moeten wij dus in onszelf laten plaatsvinden, daar wij geen woorden kunnen gebruiken om het duidelijk te krijgen. Kunst kan ons leren in onszelf te kijken. Het belang van de esthetische ervaring is groot.


Over het Sublieme.   
'Het verheven gevoel, dat ook het gevoel van het verhevene is, is volgens Kant een heftig dubbelzinnige aandoening: het brengt tegelijkertijd vreugde en verdriet met zich mee. (…) Het heeft plaats wanneer het verbeeldingsvermogen er daarentegen niet in slaagt zelfs maar in principe een voorwerp te presenteren dat kan overeenstemmen met een begrip.' Het verhevene is het sublieme, en Lyotard heeft zich hier door Kant laten inspireren. Immanuel Kant schreef in 1790 zijn Kritik der Urteilskraft, waarin hij het esthetisch oordeel omschreef als reflexief. Het oordeel is de reflexie van een object van schoonheid uit de werkelijkheid maar is geheel belangenloos en doelmatig (gericht op iets) maar zonder doel. Immers, wat moeten wij met schoonheid aan? Waarin brengt het ons verder? Kants kritiek van het oordeelsvermogen is onderdeel van drie kritieken die hij schreef teneinde de menselijke vermogens te kennen. De eerste Kritik vertelt over het 'reinen Vernuft' of de dialectiek; het vermogen der ideeën. Ideeën van de ziel, de wereld en God. De tweede Kritik vertelt over het 'praktischen Vernuft' oftewel het menselijk verstand of vermogen der begrippen, waar vanuit de menselijke moraal ontstaat. Zij laatste kritiek moest een aanvulling geven op de menselijke vermogens van lust en onlust. De kunst staat hierin centraal, omdat het in Kants tijd een medium was voor de lust- gevoelens van de mens. Het sublieme werd in de laatste kritiek ondergebracht, maar had een bijzondere plaats aangezien de onlust er een belangrijke rol speelt. Lust of smaakoordeel is gericht op formele schoonheid, harmonisch, organisch. Het sublieme komt voor uit vormloosheid en mateloosheid. Abstractie en onbegrip. Het subject tegenover een chaos. Het overweldigt ons: het is adembenemend en in de eerste instantie verlamt het ons. Maar in de tweede instantie vervult het ons met ongebreidelde levenskracht. Het brengt ons in contact met het metafysische, het bovenzintuiglijke. Het heeft een meer gevoelsmatig karakter dan de ervaring van het schone, aangezien dit nog een reflexie met de werkelijke wereld heeft; een begrip kent. Het sublieme kan nooit zintuiglijk worden uitgebeeld of door begrippen worden ondergebracht. Vanuit deze gedachtegang is Lyotard verdergegaan. 'Het belang van de filosofie van het schone en het verhevene in het eerste deel van de derde Kritik ligt in de ontwerkelijking van het object van esthetische gevoelens en in de daarmee samenhangende afwezigheid van een echt esthetisch kenvermogen.' Volgens hem wordt het bestaan van vaste betekenissen een ogenblik ontkend in het sublieme moment, waardoor het mogelijk wordt het bestaan van een andere zin te voorzien. "Er wordt geen vooroordeel geveld en er wordt geen zekerheid aan ontleend. Die zekerheid hebben we niet nodig. Je kunt prima leven in onzekerheid, dat biedt je de ruimte om je eigen bestaan in te vullen" De abstracte kunst ziet Lyotard als eerste poging tot uiting van subliem gevoel, aangezien de kunstenaar hier pogingen doet het niet-representeerbare te presenteren. Kunstenaars zijn hier niet persé op zoek naar schoonheid in hun werken, eerder naar de verbeelding van iets abstracts, iets dat niet in woorden of figuren te vatten is. Zoals bijvoorbeeld Mondriaan heeft geprobeerd zijn utopie in vlakken en kleuren te schilderen. Abstractie biedt een uitweg uit de geconditioneerde beelden-taal van het subject. We kunnen wel het absoluut grote denken, het absoluut machtige, maar iedere presentatie van deze grootheid of macht zou pijnlijk te kort schieten. Ook het zwarte vierkant van Malewitsch is, volgens Lyotard, een uiting van sublimatie. De afwezigheid van de vorm, de kleur; de afwezigheid van elk begrip. Voor de abstracte presentatie die het niets presenteert, wordt van de verbeelding vereist dat deze 'onbegrensd' is. Toon, tekening, kleurmenging, lineair perspectief, aard van de drager, picturale techniek, stijlanalyse en ophanging in een museum zijn in feite alleen middelen om de blik van de beschouwer te onderwerpen aan de gedachte. Het zijn menselijke werktuigen om het sublieme gevoel af te zwakken of te vervangen door het smaakoordeel. Begrenzingen. Want het sublieme is lust en onlust, onbegrijpelijk dus niet geldig. Het is belangenloos en doelloos. De-sublimatie ontstaat door gedachten te laten domineren boven de ervaring, bijvoorbeeld in de kunstbeschouwing. Hier ontstaat een categorisatie die de moderne (dus ook de abstracte) kunststromingen zelf in de hand werken. 'Welke ruimte neemt Cézanne op de korrel? Die van de impressionisten. Welk object Picasso en Braque? Dat van Cézanne. Met welk vooroordeel breekt Duchamp in 1912? Met het vooroordeel dat er een schilderij gemaakt moet worden, al is het kubistisch…' Enzovoorts. Het gebruik van categorieën in het esthetisch oordeel zou dus van dezelfde aard zijn als in het kennisoordeel, om maar met Kant te spreken. Kunst is in principe anti- intellectualistisch omdat de notie van de esthetische ervaring als belangeloos gezien kan worden. Kunst als intellectualistisch beschouwen zou betekenen dat het als de belichaming of provocatie van ideeën opgevat kan worden. Maar ideeën hebben altijd een object, ze gaan over iets: ze leggen een brug tussen de uiting waarin een idee zich manifesteert en datgene waarop het betrekking heeft. Het kunstwerk onderwerpen aan ideeën van textuurgebruik tot en met stijlgeschiedenis betekend dat de ervaring ervan niet langer belangenloos is, niet langer geïsoleerd is van de wereld daarbuiten. Het sublieme gevoel komt niet vanuit voorkennis of vooroordeel, maar vanuit de pure aanschouwing zonder begrip. Het komt voort uit iets absoluut anders, het niet- kenbare. Maar hoe moeten we ons dan verhouden tot het ongrijpbare moment van de sublieme ervaring? Volgens Lyotard moeten we allereerst de afgrondelijkheid van het denken onder ogen zien. Het 'niet-kunnen-begrijpen' accepteren. De uitdaging die het verhevene (of het sublieme) schept aangaan

'The sublime is now' is het verhaal van de schilder van het voormalig verminkte schilderij 'Who's afraid of Red, Yellow and Blue?'.  Het verhaal is een soort toelichting bij het werk van de kunstenaar en vertelt over het sublieme gevoel dat de eerste mens op aarde heeft moeten ervaren. In zijn onmachtskreet bij het aanschouwen van zijn omgeving zou een emotie van onbegrip van de wereld om hem heen hebben doorklonken, terwijl hij op dat moment ook beseft moet hebben dat hij onmetelijk vrij was. Het verhaal heeft als functie de beschouwer van het schilderij te laten begrijpen dat de kunstenaar vanuit die idee of dat gevoel geschilderd heeft. Tegelijkertijd zou het verhaal als versterking moeten gelden voor het gevoel dat de beschouwer heeft wanneer hij voor het overweldigende rode landschap staat. (?) De 'postmoderne' mens die het schilderij in het museum verminkte met een mes, is waarschijnlijk één van de weinige beschouwers geweest die zich kon identificeren met de eerste mens op aarde. Zijn daad lijkt mij een daad van onmacht, een daad die voortkomt uit een subliem gevoel misschien. O ironie, de restauratie van het schilderij heeft een groots omstreden discussie veroorzaakt binnen de elitaire kunstwereld. Alsof het uit zou maken welke textuur het schilderij heeft. Ging het de kunstenaar niet om het gevoelsmatige effect van het grote rode landschap? Blijkbaar heeft het kunstwerk opeens een historisch of stilistisch kader gekregen zodra het in het museum te zien was, en daarmee werd de oorspronkelijke bedoeling ervan op de achtergrond geschoven.
De kloof tussen het denken en het sublieme is groot. Dat de man de brutaliteit heeft zijn (sublieme) gevoel in een schadelijke daad te uiten, keur natuurlijk ik niet goed. Het voorbeeld dient echter wel om de discrepantie aan te geven tussen de ervaring van- en de gedachten over kunst. Het sublieme is een ervaring zonder begrip. Een esthetiek zonder ethiek? Lyotard: '…dus niet onverschillig welke esthetische zin, maar alleen die van het extreme verhevene kan openbaren dat de mensheid voortdurend vooruit gaat naar het betere. Het schone voldoet daartoe niet, omdat het slechts een symbool van het goede is. Maar het verhevene - omdat het de gevoelsmatige paradox is, de paradox om in het openbaar en op goede gronden gezamenlijk te voelen dat een 'vormloos' gegeven naar iets voorbij de ervaring verwijst - constitueert een 'alsof'- presentatie van de Idee van een burgerlijke en zelfs wereldburgerlijke maatschappij, dus van de Idee van de moraliteit, daar waar zij niet gepresenteerd kan worden: in de ervaring.' De sublieme ervaring zou dus de moraliteit die niet beschreven of geredeneerd kan worden, wel in zich hebben. Met deze uitspraak maakt Lyotard het mogelijk de twintigste eeuwse mens, die steeds met sublimatie wordt geconfronteerd, toch een ethiek mee te geven. De overwinning van de kapitalistische technowetenschappen (een metaverhaal) van deze eeuw brengt de grondige zekerheden die zij nastreven uit evenwicht. Hoe kan, nu mens en machine, subject en object in elkaar overlopen, het ideaal van de beheersing voortbestaan? In een chaos die ontstaat van de vermenging van het natuurlijke met het technische, waarnaast bovendien ook nog een grote virtuele gemeenschap bestaat, is het niet langer mogelijk de gestabiliseerde ideeën hoog te houden. Wij staan oog in oog met de chaos, dat op zich een subliem gevoel teweegbrengt, waarin een leegte die wordt ervaren, maar waarin van alles zich opnieuw kan voordoen. Dus ook een nieuwe richtlijn in het denken. Naar die richtlijn is Lyotard op zoek. Niet een richtlijn voor het schone of goede, omdat daarmee automatisch iets anders niet schoon of niet goed is, en daarmee komt de rechtvaardigheid in het geding. Waarop kan het denken zich dan richten zonder de 'denkfout' van het moderne opnieuw te maken? Denken koerst op gevoel en het gevoel is gekoppeld aan het denken. Het sublieme gevoel zou een handreiking kunnen zijn voor het nieuwe denken, volgens Lyotard. Het postmoderne denken. Het is een ontwrichting van het oppositiedenken omdat het beide gevoelens van lust en onlust in zich draagt. Het zou dus ook een uitdaging kunnen zijn voor een nieuwe taal. Een taal die de verschillen in stand houdt. Een zwijgen misschien? Een kinderlijke onbevangenheid? De gespletenheid bewaren? Het instandhouden van de intellectualistische taalspelen, in plaats van consensus? In zijn boek L'inhumain (1988) schrijft Lyotard nog over het kind in de mens. Hij zegt dat een kind een bedreiging is voor de redelijkheid, terwijl het toch alle waarheid in zich draagt….
'How can we hang on to a dream?'
Hoe kunnen wij nog steeds geloven dat de wereld ons het geluk verschaft? Hoe kunnen wij nog steeds geloven dat technologie en kapitaal ons de vrijheid zullen schenken? Hoe kan het dat mensen nog steeds redetwisten over hoe God eruit ziet? Hoe kan het dat andersdenkende intellectuelen Lyotard nog steeds beschuldigen van pessimisme? Ik moet toegeven dat hij met zijn filosofie de mensheid uit het centrum van de wereld plaatst. Mensen die zich hierdoor uit het veld geslagen voelen zullen Lyotard inderdaad als pessimist beschouwen. Als het zo is dat de absolute waarden gerelativeerd worden, en daarmee de ethiek uit het bestaan weggevaagd wordt, maakt hij zich inderdaad schuldig aan het veroorzaken van een crisis. Samenleven zonder ethische grondbeginselen wordt een anarchie. Toch beseft de filosoof ongetwijfeld dat de ethiek nooit uit de samenleving zal verdwijnen. Nieuwe waarden zullen weer in het leven geroepen worden. Anders gedefinieerd weliswaar…niet meer vanuit het absolute, het universele. Meer vanuit het subject zelf tegenover zijn medemens die hem vergezelt in de postmoderne toestand van de huidige informatie en techno- maatschappij. Ieder zijn eigen waarden, die van elkaar respecterend.
Eigenlijk getuigen de geschriften van Lyotard van een ideologisch wereldbeeld. Dit is in ieder geval wat ik ervan begrijp. Doordat de twintigste eeuw zoveel wereldbeelden heeft gekend, en elke op zijn beurt vruchtbaar was en uiteindelijk weer onvruchtbaar bleek te zijn, kennen wij nu, aan het einde van deze eeuw, een pluraliteit aan visies. De verschillende manieren van categoriseren, presenteren, representeren en organiseren hebben ons geleerd dat er meerdere wegen naar de waarheid leiden. Sterker nog, dat er meerdere waarheden naast elkaar bestaan. Onze perceptie is waarschijnlijk ingebed in één van deze visies, of komt juist voort uit de veranderingen in wetenschap en techniek, toch hebben we toegang tot alle verschillende wereldbeelden. Ook al overheerst er in de geschiedenis altijd wel één wereldbeeld, (voor de westerse mens die van het liberaal-democratische) wij leven samen met miljoenen individuen die allemaal hun eigen ideeën hebben. Kijk bijvoorbeeld maar naar de multiculturele samenleving in ons kikkerlandje. Op de hoek van de straat eet ik een falafel en praat wat met de Turkse buurjongen, terwijl ik morgen misschien weer de boodschappen doe in de Islamitische supermarkt, omdat die nou eenmaal veel goedkoper is dan de Albert Heijn. Met de introductie van gastarbeid en vluchtelingenzorg is ons land niet langer van Nederlanders alleen. Ik geloof dat er nu meer dan 200 verschillende culturen in ons land zich vermengen. Allemaal wijsheid uit verre landen…soms aanleiding tot onvrede en ruzie, meer nog aanleiding tot verrijking van ons eigen conservatieve wereldbeeld. Niet alleen een veelheid aan culturen op een paar vierkante kilometer, ook de televisie is schuldig aan ons verknipte beeld van de werkelijkheid. Hoe vaak zappen wij niet van de Farao's in Egypte naar de politieke onrusten in Rusland? Van het leven van president Clinton naar de soap die zich afspeelt in de studio's van Goede Tijden Slechte Tijden? Van een documentaire over abortus bij Nova naar de geboorte van de veertiende DalaiLama? Televisie is een media dat ervoor zorgt dat wij kennis maken met tientallen verschillende realiteiten per dag. Visie na visie wordt geïllustreerd en uiteengezet…KIEST u MAAR! Zo kan ik verder gaan met voorbeelden die ons het gefragmenteerde beeld van de werkelijkheid bezorgen. De twintigste eeuw hangt aan elkaar van subculturen, waarmee we op straat, op school, op ons werk en in de media steeds meer te maken krijgen.

Lyotard geeft de informatiemaatschappij en zijn techno-wetenschappen de verantwoordelijkheid voor het feit dat kennis gescheiden raakte van zijn oorspronkelijke drager. De veelheid aan informatie die op ons afkomt in deze tijd kunnen wij niet langer in onze brein opslaan. Dit doen de computers voor ons. Aan ons de taak om te selecteren wat ons nog interesseert. De invloed van de technologische veranderingen op het weten is aanzienlijk. 'Het aloude principe dat kennisverwerving onlosmakelijk is verbonden met de vorming van de geest, en zelfs van de persoon, zal nog meer in ongebruik raken dan het reeds is' aldus de toekomstvoorspeller. Het is dus niet langer gebruikelijk ons te vormen via de empirie of de kennis die de status van het universele opeist. Ook de communicatieve transparantie die bijvoorbeeld het Internet verschaft zal de autoriteit als ondoorschijnende factor aan het licht brengen. Nu kunnen wij namelijk 'eerlijke' informatie krijgen: van de bevolking in een land waar politieke onrust heerst bijvoorbeeld. Wij kunnen het ze zelf 'vragen'. Of de politieke idealen van 'de tegenpartij'. Een informele anarchie. Deze informatie is veel meer waard dan die uit bijvoorbeeld de krant of van de televisie. De krant verschijnt aan het volk als een onpartijdig medium maar belicht toch altijd één kant van de medaille; de informatie die we doorkrijgen is altijd vóór ons geselecteerd. Het Internet daarentegen is een vrijstaat voor iedereen, het beoordeelt niet; het geeft alleen weer. Het is in feite de meest objectieve verslaggever. Tot nu toe kent het medium nog geen censuur in Nederland, waardoor het brede informatie verschaft. Door de technologische vooruitgang is het ons mogelijk gemaakt te weten wat wij wíllen weten, en wij hoeven niet langer kranten, journaal of andere institutionele informatieverschaffers te geloven. Want ook zij houden zich vast aan een paradigma. Mensen die buiten Amsterdam wonen kunnen uit de krant opmaken dat het een vieze stad is, vol junks en drugtoerisme, die bovendien veel overlast veroorzaken. Ook worden er dagelijks mensen berooft of overvallen volgens het dagblad. Maar ervaren de inwoners dit werkelijk zo? Is het niet slechts een weergave van één zijde van de medaille? Er is voor deze media niet langer een monopoliepositie op de informatieverspreiding weggelegd met de komst van het Internet. Lyotard schrijft: 'de verandering in de aard van het weten kan dus een terugslageffect hebben op de gevestigde autoriteiten (…)' Wanneer de invloed van de autoriteit op onze kennis minder wordt, zal u het met me eens zijn dat een eenheid in kennis eerder uitzondering is dan regel. De orde wordt nu zichtbaar waaromheen de kennis gegroepeerd was. De ontwikkeling van de menselijke geest is dan niet langer een voortvloeisel uit de empirie of gepretendeerde waarheid.
Het virtuele van de informatietechnologie leert ons omgaan met verschillende vormen van kennis. Het weten, zoals Lyotard gezegd zou kunnen hebben, is niet meer lineair. William Gibson (de eerste persoon die het woord cyberspace beschreef) schreef in 1984 in zijn boek Neuromancer: 'Cyberspace. A consensual hallucination experienced daily by billions of legitimate operators, in every nation, by children being taught mathematical concepts…A graphic representation of data abstracted from the banks of every computer in the human system. Unthinkable complexity. Lines of light ranged in the nonspace of the mind, clusters and constellations of data. Like the city lights, receding…' De computer kent een ongelooflijk grote hoeveelheid aan werkelijkheden. Werkelijkheid en realiteit zijn dan niet langer elkaars synoniemen. Omdat dit medium interactief is kunnen gebruikers hun eigen werkelijkheid scheppen, die niet langer gelijk is aan hun reële omgeving. Cyberspace maakt aliens van mensen: ze kunnen hun eigen territorium bepalen, niet langer gelijk aan hun territorium op aarde. Het is mogelijk geworden te ervaren hoe mensen in India leven zonder er vleselijk geweest te zijn. Wij kunnen in een chemische formule kruipen of moleculen van de binnenkant bekijken. Het woord en het beeld vallen samen. De computer koppelt de ervaring aan de kennis, maakt deze driedimensionaal. En we kunnen zelf de richting kiezen.

Volgens Lyotard is de postmoderniteit een transformatie van het systeem naar complexificatie, differentiatie en flexibilisering. Daar waar voorheen het systeem een centrum had (een hoogste beginsel zoals bijvoorbeeld de vrijheid van mening in het liberaal- democratische) dat door duidelijke grenzen omlijnd werd en dus een 'buiten' had, dat door uitbreiding ingenomen wordt en dat deze uitbreiding verliep door middel van herhaling van hetzelfde, is het systeem nu een open en grensloos gebied. 'Een chaotisch samenraapsel van waarden en normen dat nog door paniekerige autoriteiten geclaimd wordt.' Wie gelooft er nu nog in 'het systeem'? De democratie in ons land is enkel nog een methode om de chaos te sturen, het ideaal erachter is reeds door elke burger achterhaalt. De postmoderne mens zoekt zijn eigen horizon. Hij realiseert zich tijdens zijn zoektocht dat géén wereldbeeld beter is dan de ander, behalve zijn eigen beeld; die superieur is in een wereld waar niets superieur geacht wordt. Hij leert niet alleen zijn eigen werkelijkheid kennen, maar zal die van anderen ook authentiek achten. Zodra hij zich dit inzicht heeft eigengemaakt ziet hij de schoonheid van de verschillen, hij respecteert ze meer dan ooit. Deze transcendentie, de mogelijkheid het eigen Superego te relativeren en daarmee af te rekenen met geconditioneerd gedrag, is een kenmerk van het postmoderne weten. Dit weten, dat zowel de universele als de persoonlijke waarheid erkent is allerminst zonder ethische beginselen. Alleen de ethiek is niet langer statisch, niet langer een wet; het is aangepast aan het moment, de situatie en de verschillende paradigma's… telkens weer worden tijd en ruimte gerespecteerd (respect= re + aspect).
Lyotards boek Le different beschrijft de ontologische noodzaak van het zoeken naar nieuwe taalvormen. Het geschil gaat vaak met onrecht gepaard omdat zender en ontvanger elkaar vaak niet volledig begrijpen. Wanneer we ons bewust worden van de verschillende 'taaleilanden' of paradigma's (bijvoorbeeld wanneer een kunsthistoricus en een kunstenaar met elkaar praten over een schilderij) en ook het zwijgen leren interpreteren, wordt het begrip groter. De verschillende kriteria die beide partijen erop nahouden in hun taalspelen moeten worden begrepen, en men moet zich niet meer laten verleiden door de consensus, daar waar de meningsverschillen onderdrukt worden, maar moet juist de discensus in stand houden. De mening van je gesprekspartner steeds opnieuw beschouwend. Ideologisch als Lyotard is, verzet hij zich tegen het streven naar beheersing: 'de taal alleen sluit ons op'. Daar waar het moderne de taal als totalitair medium gebruikt, laat het postmoderne datgene spreken wat niet is gezegd. Daar waar het moderne tijdperk de beheersing van het 'wij' in stand wil houden en de consensus als ordescheppend middel gebruikt, laat het postmoderne zich gaan in de veelheid, chaos en houdt de discensus in stand. De a-perspectivische blik van de postmoderne mens heeft een openheid die zijn weerga niet kent. Juist deze openheid maakt hem ontvankelijk voor het buitentalige, voor het onbekende, het buitenmediale (Arjen Mulder). Zijn perceptie niet langer afhankelijk van zekerheid, veiligheid en het bekende, maar wordt gestuurd door zijn intuïtie en aanvoelingvermogen…

Het einde van de twintigste eeuw doet onze fantasie op hol slaan. Honderden conspiracy's bestaan reeds over de eenentwintigste. De leegte van de komende duizend jaar grijnst ons toe. Het is als een zwart gat met een onweerstaanbaar groot magnetisch veld. De rusteloosheid die de millenniumwisseling met zich meebrengt is groot. Dat de vorige eeuwwisseling vele veranderingen met zich meebracht is iedereen inmiddels bekend. Creatieve geesten en avant-garde zorgden voor grote veranderingen in kunst, maatschappij en wetenschap. Het gevolg: een acceleratie in technologische vooruitgang en een pluraliteit aan maatschappelijke systemen en kunstzinnige stijlen. De eeuw van de ismen. De eeuw van de versnelling. De eeuw van de media. Het feit dat de informatie steeds belangrijker wordt en materie terrein verliest, brengt de noodzaak met zich mee dat alle universele waarden eens flink herzien worden. Science Fiction is nu, en daarom moeten tijd, ruimte en mensbeeld eens van een andere kant bekeken worden, nietwaar?

Introductie tot het verhaal:




Het wit van het scherm doet mij huiveren. Een angst voor de leegte komt in alle heftigheid naar boven, maar tegelijkertijd voel ik het verlangen te schrijven en te vertellen wat ik in de afgelopen jaren heb meegemaakt en ontdekt. Het wit staat een grote verbeeldingskracht toe en veroorlooft mij in alle vrijheid mijn verhaal te vertellen. Eigenlijk zou ik het liever een sprookje noemen, omdat het voor velen misschien als fictie in de oren klinkt…voor sommigen misschien niet. Het sprookje is er één van het 'anything goes' tijdperk. Het is ontstaan vanuit een gevoel dat het in kaders vatten van de geschiedenis, van ontstane ideeën; van kunst en maatschappij, niet meer relevant is. Het is een zuiver subjectief verhaal over datgene wat ons (de mensen) gedecentraliseerd heeft. Een sprookje over de esthetisering van de samenleving. Over het grootste en het kleinste, het esthetische en het ethische. Over mens en machine, de televisie en de computer; het internet en 'virtual reality'; chaos en cybercultuur; over de verandering van tijd en ruimte…

Nu dan, ik begin maar gewoon.


Mijn Goeroe heb ik nooit ontmoet. Hij is inmiddels dood (R.I.P 1998), gestorven op 64-jarige leeftijd. Ik leerde hem kennen vlak na zijn dood.
Voor Esthetica moest ik een presentatie voorbereiden en ik had gekozen voor een filosoof van wie ik nog twee boekjes in de kast had liggen. Ik had ze nooit gelezen maar op een of andere manier had ik al een gevoel van sympathie voor de schrijver omdat hij in één van de boekjes zijn moeilijke gedachten aan kinderen probeerde uit te leggen, zo verraadde de titel. Ik had op het Net zijn naam opgezocht in één van de daarvoor bestemde zoekmachines. De zoekactie leverde enkele adressen op en na enige tijd surfen vond ik zijn biografie op www.ruu.nl. Wat ik las deed mijn mond openvallen van verbazing. Het leek alsof ik mijn eigen gevoelens en gedachten, die ik nooit goed had kunnen verwoorden, daar op het scherm zag staan. Abstract als de woorden mij leken, zo krachtig drukte zij uit wat ikzelf in de laatste jaren had ontdekt.

De persoon die het stuk geschreven had noemde hem, mijn gloednieuwe Held, een antisubjectfilosoof, iets wat mij irriteerde omdat het weer 'just another name' was. Desalniettemin las ik verder, omdat ik anti-subject wel een mooi woord vond en het mij een zeker gevoel van herkenning gaf. Hoe de biograaf dit soort filosofie uitlegde boeide me: '…antisubjectfilosofie verwerpt het idee dat de mens als grondslag kan dienen voor het filosofisch denken.' 'Dat de mens de waarheid in pacht zou hebben of via de wetenschap zou kunnen krijgen vindt hij (de filosoof) een grenzeloze overschatting van de kwaliteiten die toegeschreven worden aan het feit dat mensen kunnen denken. Kortom, het idee van de mens als subject van de geschiedenis, vormt een misvatting.' Bellen begonnen te rinkelen in mijn hoofd en opgewonden las ik verder: '…hij maakt duidelijk dat kennis inderdaad niet méér is (maar ook niet minder) dan een vorm van zelflegitimatie. Hij maakt een onderscheid tussen de verhalende kennis (narratieve kennis) die pragmatisch is en de wetenschappelijke kennis die de status van de universele kennis opeist. (...) Wetenschappelijke kennis probeert nu juist het verhalende aspect van de kennis te overstijgen. De wetenschap probeert de drie competenties (weten te spreken, weten te luisteren, weten te doen) aan universele regels (in casu: de ratio) te verbinden opdat er onafhankelijke universele kennis zou kunnen ontstaan. Om dit te kunnen bereiken hanteert de wetenschap de disciplinering. De disciplinering dwingt, op straffe van uitsluiting, mensen op dezelfde manier naar het onderwerp te kijken en er op gelijke wijze mee om te gaan. De verwachting is dat waneer die eenheid (het universele begrip) gesticht is, de kennis dieper zal gaan en bovendien niet meer afhankelijk zal zijn van de (plaatselijk) gekleurde verhalen. We kunnen dan 'beter' overleven. Dit wetenschappssysteem werkt niet meer….'

De relativistische blik van de filosoof had mij gered. Het was als een legitimatie voor mijn eigen gedachten. Jarenlang had ik geworsteld met de wetenschap die aan mij gepresenteerd werd tijdens mijn studie. Alle theorie die ik me eigen moest maken en alle 'waarheden' aan mij opgelegd over kunstvormen werden mij duidelijk. Het enige wat men geprobeerd had mij te leren, was 'de waarheid' zoals die door iedereen geaccepteerd moest worden, zonder rekening te houden met enige vorm van subjectiviteit. Dit veroorzaakte bij mij, tijdens mijn studie een gevoel van onbehagen, drukte mijn passie voor de kunst de kop in en maakte mij een recalcitrante 'non-believer'. Nu ik mijn medestander gevonden had (een man die zijn gedachten zó op papier had gekregen dat er mensen naar hem luisterden), hoefde ik niet langer te schoppen tegen het paradigma van de wetenschap. Ik begreep nu waarom en daarmee kon ik het integreren in mijn eigen waarheid. Mijn zoektocht ging verder…ik las de boekjes in mijn kast, over het postmoderne denken en het einde der Grote Verhalen. Deze Grote Verhalen waren alle dogma's en idealen uit de geschiedenis en het einde daarvan wordt geschetst door de verschrikkingen van de tweede wereldoorlog. 'Kijk,' zegt mijn Goeroe 'de terreur van de hegemonie van één waarheid (één taal) word duidelijk in het Fascisme en de vervolging van de Joden, waar de Nazi- idealen de waarheid van de Joden buitensloten en probeerden uit te schakelen.' Ook het Marxisme, die de bevrijding van de mensheid zocht door middel van een klassenstrijd is een voorbeeld van zo'n meta-verhaal. Maar Marx heeft niet gelijk gekregen en zijn communisme heeft niet geleid tot de bevrijding der mensheid.

De boodschap klonk mij helder en doordringend in de oren: de wetenschapssystemen werken niet langer in deze tijd. Heden ten dagen leven wij in een informatiemaatschappij. Elke dag worden er nieuwe 'waarheden' geschapen die weer andere ontketenen. Wij krijgen zoveel nieuws op ons af, dat het niet meer mogelijk is alles in ons op te nemen. De informatietechnologie gooit roet in het eten. Zo kan bijvoorbeeld een groot deel van de empirische kennis opgeslagen worden in het geheugen van de computers. Het is niet langer mogelijk om overlevingskennis te programmeren via het vormen en opleiden (disciplineren) van personen. De versnelling van de communicatie door middel van deze informatietechnologie heeft een centrifugale werking op de kennis, ofwel: de kennis raakt gescheiden van zijn drager…de mens.

'Het is uiterst slim geweest van de wetenschap om de ratio als ordenend principe te kiezen boven de principes van de priesters en koningen' las ik en tegelijkertijd dacht ik: 'religie is opium voor het volk'. De ratio heeft de mens willen bevrijden. De ratio heeft ons in het centrum van de wereld willen zetten en ons willen bevrijden van de natuur, die wij niet begrepen en waaraan wij ons onderworpen voelden. Met de ontmaskering van de ratio als waarheidsbarometer wordt ruimte gecreëerd voor de verhalende (narratieve) kennis, het gevoel en de intuïtie. Deze zullen wij zeker nodig hebben in de chaos van informatie die op ons afkomt omdat wij in deze jungle van modes & trends, culturen en paradigma's op één of andere manier onze weg moeten vinden.
Welke weg moeten wij dan vinden?
Die van de ultieme vrijheid?
Wat is vrijheid als we vrij moeten zijn?
In Das Unbehagen der Kultur schreef Freud al dat de mens zich permanent 'ongemakkelijk' voelt in de conditioneringen die de cultuur waarin hij zit (het Superego) met zich meebrengt. Men creëert regels om regels in stand te houden en daarmee wordt de vrije oermens in het onderbewuste gevangen gehouden. Het is niet zo gek dat steeds meer mensen gaan zoeken naar andere waarheden; die van de psychoanalyse bijvoorbeeld, of religies uit andere landen, of naar de waarheid van de natuur (door mijn Leraar zo leuk 'het groene denken' genoemd). Men is constant op zoek naar een waarheid die buiten die van de empirie ligt omdat hij het gevoel heeft dat er meer is dan dat alleen. Maar omdat wij in een cultuur leven waarin rationaliteit en denken in hoog aanzien staan, zijn we verleerd met dit gevoelsmatige idee om te gaan en daarmee blijft het onbehagen. Wij vinden ons wantrouwen, ons onbehaaglijke gevoel niet logisch genoeg en vertrouwen er dus niet op. Allemaal kindjes van de moderne tijd. De tijd van het functioneel denken voor het maatschappelijk vooruitgangsideaal, waarin het oppositiedenken is ontstaan. Onze gedachten bepaald door onze ouders, de kerk, de overheid, de onderwijsinstellingen en onze baas.

Langzaam begonnen stukjes in mijn hoofd inéén te vallen. De deuren van de filosofie hadden zich voor mij geopend om mij kennis te laten maken met de wereld van de abstractie. Deze abstractie bood mij een heldere blik op de wereld om mij heen. Hoe relatiever de bouwwerken der wetenschap werden, hoe gulziger ik werd. Ik las de Postmoderne fabels, geschreven door mijn Held in 1993, vijf jaar voordat hij stierf. Ik betreurde dat ik hem niet kon vragen wat hij precies bedoelde, maar wist ook dat een eigen interpretatie goed genoeg was. (Ooit heb ik in een commune (sekte) in India een maand lang gemediteerd. De goeroe: Osho, was al 3 jaar dood maar zijn geest dwaalde nog door de Ashram, aldus zijn volgelingen. Daar heb ik gezien dat de dood van een leraar niet zozeer uitmaakt voor de lessen die je van hem kunt leren. Zijn boodschap ('love') werd niet alleen door woorden doorgegeven, maar ook door knuffels; samen de groenten voor het avondmaal schillen ('veggiechoppingmeditation') of een technofeestje bij volle maan. Kortom, de boodschap werd op verschillende manieren geïnterpreteerd, maar was luid en duidelijk). De eerste fabel in het boekje ging over het systeem, dat volgens Hem nihilistisch is en geen waarden kent. Het verbergt zich achter vele oog- en oorstrelende vormen. Dit vond ik mooi. De tweede ging over de ontwikkeling van de energie en de mens vanaf het allereerste begin. Hij schrijft: 'ontwikkeling is geen uitvinding van Menselijke wezens. Menselijke wezens zijn een uitvinding van de ontwikkeling. De held in de fabel is niet de menselijke soort, maar de energie. (…)De held is geen subject. Het woord energie zegt niets, behalve dat er kracht is.' Dit vond ik nog mooier. Wij zijn dus eigenlijk niet meer dan een complexe opeenhoping van energie en onderdeel van talloze andere, nog complexere energievormen. Deze gedachte, van de mens onderworpen aan zijn omgeving, doet mij nog steeds huiveren. Ik kan niet zeggen waarom, maar het gevoel bij de gedachte en de gedachte bij het gevoel is subliem. Alsof ik over de rand van de afgrond kijk en de diepte mij roept. Alsof ik mij mee laat voeren over de golven die me naar onbekende gebieden brengen. Alsof ik in de vlammen van een groot kampvuur kijk, en de dansende tongen mijn hart doen sissen. Het gevoel is zo sterk en metaforisch, dat iedereen het moet kennen. Volgens mij ligt hierin de waarheid! Later kwam ik erachter dat mijn Goeroe er ook zo over dacht. Hij leerde mij ook nog over het verlangen van de mens een medestander te hebben, te herkennen; het verlangen naar eenheid. Ik moest nog veel leren.

De kennismaking heeft mijn leven niet veranderd…het heeft het verrijkt. De filosoof heeft mij geleerd abstract te denken en te vertrouwen op mijn gevoel. Abstractie is kritisch, polemisch maar niet onverbiddelijk. Abstract denken heeft mij geleerd afstand te nemen van mijn gevoel, het te beschouwen en het te begrijpen. Om te zetten in taal. Door hem kan ik dit schrijven. Taal heb ik echter altijd als een 'tricky' middel gezien, minder nog dan hulpmiddel in de communicatie. Frustratie. Taal is 'tricky' omdat het pretendeert door iedereen begrepen te worden, terwijl dat vaker uitzondering is dan regel. Het heeft mij altijd dwars gezeten dat mensen zich verschuilen achter hun woorden. Het is een uitvinding van de leugen, heeft ooit iemand tegen mij gezegd. Toch is het fijn me te kunnen uitdrukken met een voor iedereen bekent medium. Tot op zekere hoogte kunnen wij elkaar dan duidelijk maken wat we bedoelen. De woorden, tekens en zinnen die hier nu voor je liggen kunnen alleen een verhaal vormen wanneer ze door jou gelezen en geïnterpreteerd worden. Alleen door deze wederzijdse afhankelijkheid komt de communicatie tot stand.


Er was eens een filosoof die de dialoog probeerde te postuleren. Hiermee probeerde hij het verschil bloot te leggen tussen de empirische en de narratieve kennis. Eén van de postulaten was de authenticiteit. Dit is zoiets als de ander respecteren in zijn waarheid, of er vanuit gaan dat de ander in zijn eigen verhaal gelooft en dat het voor hem een consistent geheel vormt. Een eenheid in mening was niet nodig, geloof ik, enkel wat respect.