zaterdag 4 mei 2013
Introductie tot het verhaal:
Het wit van het scherm doet mij huiveren. Een angst voor de leegte komt in alle heftigheid naar boven, maar tegelijkertijd voel ik het verlangen te schrijven en te vertellen wat ik in de afgelopen jaren heb meegemaakt en ontdekt. Het wit staat een grote verbeeldingskracht toe en veroorlooft mij in alle vrijheid mijn verhaal te vertellen. Eigenlijk zou ik het liever een sprookje noemen, omdat het voor velen misschien als fictie in de oren klinkt…voor sommigen misschien niet. Het sprookje is er één van het 'anything goes' tijdperk. Het is ontstaan vanuit een gevoel dat het in kaders vatten van de geschiedenis, van ontstane ideeën; van kunst en maatschappij, niet meer relevant is. Het is een zuiver subjectief verhaal over datgene wat ons (de mensen) gedecentraliseerd heeft. Een sprookje over de esthetisering van de samenleving. Over het grootste en het kleinste, het esthetische en het ethische. Over mens en machine, de televisie en de computer; het internet en 'virtual reality'; chaos en cybercultuur; over de verandering van tijd en ruimte…
Nu dan, ik begin maar gewoon.
Mijn Goeroe heb ik nooit ontmoet. Hij is inmiddels dood (R.I.P 1998), gestorven op 64-jarige leeftijd. Ik leerde hem kennen vlak na zijn dood.
Voor Esthetica moest ik een presentatie voorbereiden en ik had gekozen voor een filosoof van wie ik nog twee boekjes in de kast had liggen. Ik had ze nooit gelezen maar op een of andere manier had ik al een gevoel van sympathie voor de schrijver omdat hij in één van de boekjes zijn moeilijke gedachten aan kinderen probeerde uit te leggen, zo verraadde de titel. Ik had op het Net zijn naam opgezocht in één van de daarvoor bestemde zoekmachines. De zoekactie leverde enkele adressen op en na enige tijd surfen vond ik zijn biografie op www.ruu.nl. Wat ik las deed mijn mond openvallen van verbazing. Het leek alsof ik mijn eigen gevoelens en gedachten, die ik nooit goed had kunnen verwoorden, daar op het scherm zag staan. Abstract als de woorden mij leken, zo krachtig drukte zij uit wat ikzelf in de laatste jaren had ontdekt.
De persoon die het stuk geschreven had noemde hem, mijn gloednieuwe Held, een antisubjectfilosoof, iets wat mij irriteerde omdat het weer 'just another name' was. Desalniettemin las ik verder, omdat ik anti-subject wel een mooi woord vond en het mij een zeker gevoel van herkenning gaf. Hoe de biograaf dit soort filosofie uitlegde boeide me: '…antisubjectfilosofie verwerpt het idee dat de mens als grondslag kan dienen voor het filosofisch denken.' 'Dat de mens de waarheid in pacht zou hebben of via de wetenschap zou kunnen krijgen vindt hij (de filosoof) een grenzeloze overschatting van de kwaliteiten die toegeschreven worden aan het feit dat mensen kunnen denken. Kortom, het idee van de mens als subject van de geschiedenis, vormt een misvatting.' Bellen begonnen te rinkelen in mijn hoofd en opgewonden las ik verder: '…hij maakt duidelijk dat kennis inderdaad niet méér is (maar ook niet minder) dan een vorm van zelflegitimatie. Hij maakt een onderscheid tussen de verhalende kennis (narratieve kennis) die pragmatisch is en de wetenschappelijke kennis die de status van de universele kennis opeist. (...) Wetenschappelijke kennis probeert nu juist het verhalende aspect van de kennis te overstijgen. De wetenschap probeert de drie competenties (weten te spreken, weten te luisteren, weten te doen) aan universele regels (in casu: de ratio) te verbinden opdat er onafhankelijke universele kennis zou kunnen ontstaan. Om dit te kunnen bereiken hanteert de wetenschap de disciplinering. De disciplinering dwingt, op straffe van uitsluiting, mensen op dezelfde manier naar het onderwerp te kijken en er op gelijke wijze mee om te gaan. De verwachting is dat waneer die eenheid (het universele begrip) gesticht is, de kennis dieper zal gaan en bovendien niet meer afhankelijk zal zijn van de (plaatselijk) gekleurde verhalen. We kunnen dan 'beter' overleven. Dit wetenschappssysteem werkt niet meer….'
De relativistische blik van de filosoof had mij gered. Het was als een legitimatie voor mijn eigen gedachten. Jarenlang had ik geworsteld met de wetenschap die aan mij gepresenteerd werd tijdens mijn studie. Alle theorie die ik me eigen moest maken en alle 'waarheden' aan mij opgelegd over kunstvormen werden mij duidelijk. Het enige wat men geprobeerd had mij te leren, was 'de waarheid' zoals die door iedereen geaccepteerd moest worden, zonder rekening te houden met enige vorm van subjectiviteit. Dit veroorzaakte bij mij, tijdens mijn studie een gevoel van onbehagen, drukte mijn passie voor de kunst de kop in en maakte mij een recalcitrante 'non-believer'. Nu ik mijn medestander gevonden had (een man die zijn gedachten zó op papier had gekregen dat er mensen naar hem luisterden), hoefde ik niet langer te schoppen tegen het paradigma van de wetenschap. Ik begreep nu waarom en daarmee kon ik het integreren in mijn eigen waarheid. Mijn zoektocht ging verder…ik las de boekjes in mijn kast, over het postmoderne denken en het einde der Grote Verhalen. Deze Grote Verhalen waren alle dogma's en idealen uit de geschiedenis en het einde daarvan wordt geschetst door de verschrikkingen van de tweede wereldoorlog. 'Kijk,' zegt mijn Goeroe 'de terreur van de hegemonie van één waarheid (één taal) word duidelijk in het Fascisme en de vervolging van de Joden, waar de Nazi- idealen de waarheid van de Joden buitensloten en probeerden uit te schakelen.' Ook het Marxisme, die de bevrijding van de mensheid zocht door middel van een klassenstrijd is een voorbeeld van zo'n meta-verhaal. Maar Marx heeft niet gelijk gekregen en zijn communisme heeft niet geleid tot de bevrijding der mensheid.
De boodschap klonk mij helder en doordringend in de oren: de wetenschapssystemen werken niet langer in deze tijd. Heden ten dagen leven wij in een informatiemaatschappij. Elke dag worden er nieuwe 'waarheden' geschapen die weer andere ontketenen. Wij krijgen zoveel nieuws op ons af, dat het niet meer mogelijk is alles in ons op te nemen. De informatietechnologie gooit roet in het eten. Zo kan bijvoorbeeld een groot deel van de empirische kennis opgeslagen worden in het geheugen van de computers. Het is niet langer mogelijk om overlevingskennis te programmeren via het vormen en opleiden (disciplineren) van personen. De versnelling van de communicatie door middel van deze informatietechnologie heeft een centrifugale werking op de kennis, ofwel: de kennis raakt gescheiden van zijn drager…de mens.
'Het is uiterst slim geweest van de wetenschap om de ratio als ordenend principe te kiezen boven de principes van de priesters en koningen' las ik en tegelijkertijd dacht ik: 'religie is opium voor het volk'. De ratio heeft de mens willen bevrijden. De ratio heeft ons in het centrum van de wereld willen zetten en ons willen bevrijden van de natuur, die wij niet begrepen en waaraan wij ons onderworpen voelden. Met de ontmaskering van de ratio als waarheidsbarometer wordt ruimte gecreëerd voor de verhalende (narratieve) kennis, het gevoel en de intuïtie. Deze zullen wij zeker nodig hebben in de chaos van informatie die op ons afkomt omdat wij in deze jungle van modes & trends, culturen en paradigma's op één of andere manier onze weg moeten vinden.
Welke weg moeten wij dan vinden?
Die van de ultieme vrijheid?
Wat is vrijheid als we vrij moeten zijn?
In Das Unbehagen der Kultur schreef Freud al dat de mens zich permanent 'ongemakkelijk' voelt in de conditioneringen die de cultuur waarin hij zit (het Superego) met zich meebrengt. Men creëert regels om regels in stand te houden en daarmee wordt de vrije oermens in het onderbewuste gevangen gehouden. Het is niet zo gek dat steeds meer mensen gaan zoeken naar andere waarheden; die van de psychoanalyse bijvoorbeeld, of religies uit andere landen, of naar de waarheid van de natuur (door mijn Leraar zo leuk 'het groene denken' genoemd). Men is constant op zoek naar een waarheid die buiten die van de empirie ligt omdat hij het gevoel heeft dat er meer is dan dat alleen. Maar omdat wij in een cultuur leven waarin rationaliteit en denken in hoog aanzien staan, zijn we verleerd met dit gevoelsmatige idee om te gaan en daarmee blijft het onbehagen. Wij vinden ons wantrouwen, ons onbehaaglijke gevoel niet logisch genoeg en vertrouwen er dus niet op. Allemaal kindjes van de moderne tijd. De tijd van het functioneel denken voor het maatschappelijk vooruitgangsideaal, waarin het oppositiedenken is ontstaan. Onze gedachten bepaald door onze ouders, de kerk, de overheid, de onderwijsinstellingen en onze baas.
Langzaam begonnen stukjes in mijn hoofd inéén te vallen. De deuren van de filosofie hadden zich voor mij geopend om mij kennis te laten maken met de wereld van de abstractie. Deze abstractie bood mij een heldere blik op de wereld om mij heen. Hoe relatiever de bouwwerken der wetenschap werden, hoe gulziger ik werd. Ik las de Postmoderne fabels, geschreven door mijn Held in 1993, vijf jaar voordat hij stierf. Ik betreurde dat ik hem niet kon vragen wat hij precies bedoelde, maar wist ook dat een eigen interpretatie goed genoeg was. (Ooit heb ik in een commune (sekte) in India een maand lang gemediteerd. De goeroe: Osho, was al 3 jaar dood maar zijn geest dwaalde nog door de Ashram, aldus zijn volgelingen. Daar heb ik gezien dat de dood van een leraar niet zozeer uitmaakt voor de lessen die je van hem kunt leren. Zijn boodschap ('love') werd niet alleen door woorden doorgegeven, maar ook door knuffels; samen de groenten voor het avondmaal schillen ('veggiechoppingmeditation') of een technofeestje bij volle maan. Kortom, de boodschap werd op verschillende manieren geïnterpreteerd, maar was luid en duidelijk). De eerste fabel in het boekje ging over het systeem, dat volgens Hem nihilistisch is en geen waarden kent. Het verbergt zich achter vele oog- en oorstrelende vormen. Dit vond ik mooi. De tweede ging over de ontwikkeling van de energie en de mens vanaf het allereerste begin. Hij schrijft: 'ontwikkeling is geen uitvinding van Menselijke wezens. Menselijke wezens zijn een uitvinding van de ontwikkeling. De held in de fabel is niet de menselijke soort, maar de energie. (…)De held is geen subject. Het woord energie zegt niets, behalve dat er kracht is.' Dit vond ik nog mooier. Wij zijn dus eigenlijk niet meer dan een complexe opeenhoping van energie en onderdeel van talloze andere, nog complexere energievormen. Deze gedachte, van de mens onderworpen aan zijn omgeving, doet mij nog steeds huiveren. Ik kan niet zeggen waarom, maar het gevoel bij de gedachte en de gedachte bij het gevoel is subliem. Alsof ik over de rand van de afgrond kijk en de diepte mij roept. Alsof ik mij mee laat voeren over de golven die me naar onbekende gebieden brengen. Alsof ik in de vlammen van een groot kampvuur kijk, en de dansende tongen mijn hart doen sissen. Het gevoel is zo sterk en metaforisch, dat iedereen het moet kennen. Volgens mij ligt hierin de waarheid! Later kwam ik erachter dat mijn Goeroe er ook zo over dacht. Hij leerde mij ook nog over het verlangen van de mens een medestander te hebben, te herkennen; het verlangen naar eenheid. Ik moest nog veel leren.
De kennismaking heeft mijn leven niet veranderd…het heeft het verrijkt. De filosoof heeft mij geleerd abstract te denken en te vertrouwen op mijn gevoel. Abstractie is kritisch, polemisch maar niet onverbiddelijk. Abstract denken heeft mij geleerd afstand te nemen van mijn gevoel, het te beschouwen en het te begrijpen. Om te zetten in taal. Door hem kan ik dit schrijven. Taal heb ik echter altijd als een 'tricky' middel gezien, minder nog dan hulpmiddel in de communicatie. Frustratie. Taal is 'tricky' omdat het pretendeert door iedereen begrepen te worden, terwijl dat vaker uitzondering is dan regel. Het heeft mij altijd dwars gezeten dat mensen zich verschuilen achter hun woorden. Het is een uitvinding van de leugen, heeft ooit iemand tegen mij gezegd. Toch is het fijn me te kunnen uitdrukken met een voor iedereen bekent medium. Tot op zekere hoogte kunnen wij elkaar dan duidelijk maken wat we bedoelen. De woorden, tekens en zinnen die hier nu voor je liggen kunnen alleen een verhaal vormen wanneer ze door jou gelezen en geïnterpreteerd worden. Alleen door deze wederzijdse afhankelijkheid komt de communicatie tot stand.
Er was eens een filosoof die de dialoog probeerde te postuleren. Hiermee probeerde hij het verschil bloot te leggen tussen de empirische en de narratieve kennis. Eén van de postulaten was de authenticiteit. Dit is zoiets als de ander respecteren in zijn waarheid, of er vanuit gaan dat de ander in zijn eigen verhaal gelooft en dat het voor hem een consistent geheel vormt. Een eenheid in mening was niet nodig, geloof ik, enkel wat respect.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten