Het denken was het fundamenteren van theorieën…
'Een theorie komt pas tot bloei zodra er een begrip is gevonden waarin alles lijkt te passen.' Theorie was een bouwwerk van metingen en formules, tekens en structuren, vertogen en media, verwachtingen, verleidingen en verlangens, productie en machinerie. Kortom, een systeem dat aan een soort model-universalisme vasthoudt en waarin men gelooft totdat er een andere waarheid zich voordoet. De wiskunde, de natuurkunde, de filosofie, de psychoanalyse, de (kunst)geschiedenis, de sociologie, de politiek en de rechtsspraak zijn voorbeelden van zulke systemen. De meesten van hen bleken deze eeuw, goddank, paradoxaal en dus dynamisch te zijn. De verschillende vormen die zij aannamen kwamen en gingen weer. Zo was keer op keer wetenschappelijke en technische vooruitgang mogelijk. De versnelling in deze vooruitgang is de laatst honderd jaar duizelingwekkend geweest voor de waarnemers, met als gevolg dat vele groepen en individuen hun normen en waarden als trillend op hun grondvesten ervoeren. Zuilen brokkelden af, besturingssystemen raakten stuurloos. De populaire benadering van theorievorming die in dit informatietijdperk bestaat, leidt uit ervaring geloofssystemen af. De ervaringsverheerlijkers, waarvan ikzelf ook deel uitmaak, hebben ook een geloof, maar dit geloof staat net zo vast als de chaos waarin zij bestaat. Dit is een chaos van informatie en betekenissen, van technische snufjes en machinerie; de chaos van de manipuleerbare werkelijkheid. Hierin kan geen alles-overkoepelende verklaring voor de fenomenen meer bestaan; hierin is de waarheid slechts een ondoorzichtig geloof. Ervaring vormt narratieve kennis, die evenzogoed overgedragen kan worden dan kennis die alleen tot stand komt via rationele overwegingen. Wetenschappelijke kennis stoelt niet langer op de ratio alleen, omdat dat waarnemingen voor een groot deel irrationeel geworden zijn. Dit heeft de fysica, de moeder van de empirische wetenschap, ons laten zien in haar quantumtheorie. De psychoanalyse heeft irrationaliteit 'rationeel' proberen te verklaren, maar er is geen wetenschap geweest die zichzelf zo vaak heeft tegengesproken in de korte tijd dat het bestaat, als deze. Media en aanverwante informatieverschaffers laten ons ook dingen waarnemen die niet langer passen in het totalitaire, rationele wereldbeeld van onze moderne voorgangers. De mediatisering van de samenleving bevat een informatiebom. Een bom, omdat de snelheid waarmee de informatiestromen op ons afgevuurd worden al sneller is dan wij kunnen bevatten, en toch moeten wij hun voertuigen blijven besturen. Het lijkt erop dat de informatiemachines de mens beheersen in plaats van andersom. Tijdens dit informatietijdperk wordt de mens zich er pijnlijk van bewust dat hij geen orde op zaken meer kan stellen, dat hij afhankelijk is geworden van het grote geheel, dat hij bovendien zelf heeft gecreëerd. 'De Apocalyps der machines.' Sommigen hebben de opvatting dat de veelheid aan informatie een leegte creëert, een verlies van betekenis door een 'overload'. Ik neem hiermee geen genoegen, en geloof nog steeds dat juist die overvloed ons leert begrijpen dat een betekenis niet universeel hoeft te zijn. Het sublieme gevoel dat ontstaat in de 'jungle' van beelden en betekenissen en door snelheid in de dromocratie van Virilio, kan ons een nieuwe weg wijzen in het denken. Die weg is individueel en kan alleen gevolgd worden wanneer de verschillen in opvattingen, betekenissen en waarnemingen in stand gehouden worden.
Het mediale
wereldbeeld.
In dit verhaal heb ik het woord 'media' gebruikt als een begrip voor alles wat een middel is tot de verandering van onze blik op de werkelijkheid. Ik wist niet dat het medium zo'n belangrijke rol zou spelen toen ik begon met schrijven over Lyotard en zijn postmoderniteit. Het was mijn bedoeling aan te geven dat de kunstgeschiedenis de postmoderne beschouwing noodzakelijk in zich op moest nemen omdat universele Waarheid of rationele kennis an sich niet voldoende is voor de beleving van kunst. Wanneer een bouwwerk van tekens op het beeld afgevuurd wordt, teneinde het beeld te verklaren of in een context te plaatsen, zoals dit bijvoorbeeld in de semiotiek of de stilistiek gebeurt, mag er geen sprake meer zijn van Waarheid. Sterker nog, ikzelf heb het gevoel dat wanneer het rationele argument zich mengt in de kunstbeleving, (de boodschap van-) het kunstwerk zijn waarde verliest. Zo gebruikte de kunstenaar abstractie voor de expressie van zijn utopieën, zijn wereldbeeld of blik op de werkelijkheid, omdat het reeds bestaande beeld dit niet kon bevatten. Dit wereldbeeld kan alleen overgebracht worden wanneer de toeschouwer het beeld 'naakt' aanschouwt, dat wil zeggen: vrij van rationele (voor)oordelen. Theorieën zijn dooddoeners voor de kunst omdat kunst in principe buitentalig is. Het sublieme gevoel dat gepaard gaat met de esthetische aanschouwing moet in stand gehouden worden omdat het meer vertelt over het beeld dan de taal dat ooit zou kunnen. Generaties voor mij hebben het rationele; het meetbare altijd op de eerste plaats gezet bij de waarneming, waardoor het intuïtieve of gevoelsmatige op de achtergrond geschoven werd. De kunst is, naar mijn mening, nu juist een medium dat in de eerste instantie aanspraak maakt op de gevoelsmatige aanschouwing. Kunstbeschouwing, kunsttheorie of kunstgeschiedenis kunnen niet langer gezien worden als wetenschappen, omdat het weten geen deel uitmaakt van de kunst. Bijna tegelijkertijd met het ontstaan van abstracte kunst; kunst die niet langer een figuratieve nabootsing van de actuele werkelijkheid was, werd ook kunst in het leven geroepen die werd vervaardigd met technische hulpmiddelen. Sindsdien heeft kunst meer en meer aan zijn elitaire status ingeleverd. Datgene wat ik hier als elitair beschrijf is bijvoorbeeld bij Walter Benjamin de aura van het kunstwerk. Ik bedoel hiermee dat het kunstzinnige beeld toegankelijker werd zodra het via technische media tot stand kwam. De technische media van de twintigste eeuw hebben in dat opzicht een haast priesterlijke rol vervuld: zij brachten verschillende wereldbeelden bij de mensen thuis. Het fototoestel zorgde ervoor dat beelden vastgelegd en verspreid konden worden, de film bracht op zijn beurt kunstzinnige of informatieve beeldenreeksen aan de man. Het buitenmediale der technische media: datgene wat alleen kan bestaan omwille van de techniek, maar wat niet in de eerste instantie genoemd kan worden (denk aan een fotogeniek of Virtueel- Reëel beeld), én de mate waarin de technische beelden de actuele werkelijkheid verdraaien (denk aan lichtval bij fotografie, het camerastandpunt bij film, het monteren bij video of het mixen van beelden in de computer) hebben ervoor gezorgd dat de representatie van 'het werkelijke' niet meer mogelijk is. Technisch vervaardigde beelden zijn per definitie onwerkelijk, zij bestaan enkel in de geesten der beschouwers. Kunstenaars gebruiken ze om datgene uit te drukken wat er in hun geest omgaat, de politiek vanwege propagandamogelijkheden, commercie om de massa te laten consumeren, en ondertussen worden ze voor het grootste deel slechts gebruikt voor vermaak en verstrooiing. Televisie is daarvan het meest voor de hand liggende voorbeeld. De snelheid van beelden, het idealisme van concepten, de fragmentatie van de werkelijkheid is nog wel het grootst op de televisie. En aangezien het gemiddeld aantal televisies in de (Nederlandse) huiskamer meer dan 1,5 is, is het veruit het meest effectieve medium voor de verspreiding van deze beelden, concepten en werkelijkheden. De computer, een medium dat aan het einde van deze eeuw zo langzamerhand een eigen leven gaat leiden, staat inmiddels op een gedeelde eerste plaats. Het zijn lang niet alleen meer de zogenaamde 'nerds' die hun gezichten dagelijks laten beschijnen door dit kunstlicht. De PC maakt ons leven makkelijker omdat de geheugens minder worden belast, de communicatie gemakkelijker, goedkoper en sneller kan gaan. Omdat het een vluchtoord is voor diegene die de actuele werkelijkheid even niet aanstaat. Omdat het zoveel mogelijkheden biedt voor de creatie van een eigen werkelijkheid. Daar waar de televisie ons klaarstoomde voor een individualistische blik op de wereld, heeft de computer hem daadwerkelijk gerealiseerd. De verantwoordelijkheid voor het geziene wordt geïndividualiseerd doordat de interactiviteit van het medium een persoonlijke wereld creëert: de last van de actuele wereld valt weg. De computer maakt bovendien alle activiteit, elke blik of communicatie informatief, maar informatie is geen materiaal, geen tastbaar ding. Informatie is net zo'n puinhoop als de tastbare wereld die zij weerspiegelt en transformeert. Het is een spook dat zijn betekenis ontleend aan datgene wat zijn gebruiker ervan maakt…
Het containerwoord 'media' bestaat dus bij de gratie van de subjectiviteit, in ieder geval, dat is wat ik ervan heb gemaakt. Media moesten dus wel de hoofdrol krijgen in het postmoderne verhaal omdat juist zij degene zijn geweest die de fragmentatie, de verschillende geloofssystemen van de chaotische maatschappij in de hand hebben gewerkt en steeds op een andere manier hebben ge(re)presenteerd. Media zijn gekomen en gegaan, elkaar snel opvolgend en daarmee hebben ze ons laten beseffen dat niets vaststaat in de waarneming van de werkelijkheid. De zintuiglijke shocktoestand waar men in verzeilt raakte toen hij telkens weer in aanraking kwam met nieuwe media, heeft hem doen inzien dat werkelijkheid en subjectiviteit nauw met elkaar samenhangen. Drugs, snelheidsvoertuigen, kermisattracties, reclame en meditatie zijn evenzogoed middelen tot een veranderende perceptie als foto, film, video televisie en computers. De ervaring van de wereld om ons heen valt aan het einde van de twintigste eeuw samen met het gebruik van media. Techniek heeft veranderingen in ons veroorzaakt, evenals andere zintuiglijke manipulatiemethodes. De dialoog die de mens met zijn machines is aangegaan hebben een gevoel in hem opgewekt dat ruimte bestaat in ordes van zijn verwachtingen en tijd een onderdeel is van zijn eigen waarneming. Na vele eeuwen van vertraging en stroperige technologische en maatschappelijke ontwikkelingen is de laatste honderd jaar een acceleratie opgetreden, een tijdsverdichting die in het collectief onderbewuste een gevoel opwekt dat er iets staat te gebeuren. Maar omdat we nog steeds onze eigen toekomst niet kunnen voorspellen, groeit het gevoel dat we onderworpen worden aan de wereld der media. Weer een chaostheorie. Ik beschrijf in mijn verhaal de sublieme momenten die me inzichtelijk leken, maar ook die momenten kwamen voort uit media, en daarom zijn ze niet door mij alleen geschapen: ook mijn waarheid kwam met de media; ook mijn wereldbeeld is mediaal.
'De revolutie van de objecten is de virtuele wereld'
De virtuele werkelijkheid bestaat al zolang als het menselijk bewustzijn. De innerlijke aanwezigheid van beelden, geuren, geluiden en gedachten zijn het dubbelleven van de mens. In het hoofd, in de fantasie aanwezig, terwijl het handelen en communiceren buiten plaatsvindt. Dit buiten, de actuele, materiële wereld bepaald voor een groot deel het innerlijk. Wanneer we ons lichaam in een voertuig plaatsen bijvoorbeeld: het zicht op buiten wordt getransformeerd, objecten worden vage strepen of lopen in elkaar over. De prikkelingen voor onze biocomputer bepalen hoe onze virtuele werkelijkheid eruitziet. Tegenwoordig bestaat er een virtualiteit buiten het brein van de mens, een ruimte die hij weliswaar zelf bestuurt, maar ook een eigen leven leidt. Met het nabouwen van zijn bewustzijn, zijn denk- en verbeeldingscapaciteiten, heeft de mens een evenbeeld geschapen die perfecter is dan hemzelf. Zoek alle menselijke kwaliteiten bij elkaar, schrijf wat programma's voor de besturing van deze processen en je heb een superbrein geschapen die alles kan wat jij altijd al hebt gewild. Het virtuele beeld van de computer is compleet willekeurig, het kan alle vormen aannemen, behalve een massieve. De chaos van een wereld die zonder de mens kan functioneren, maar die hem meeneemt in zijn manipulaties. Cyberspace ontneemt het subject de uiteindelijke beslissingsmomenten en geeft hem er zijn alwetendheid voor terug. De interactiviteit zorgt ervoor dat het subject nog steeds gelooft in zijn positie als God wanneer hij voor het scherm zit. Zodra de persoonlijke databanken op een netwerk werden aangesloten werd de chaos compleet. Het zicht op de besturing vertroebelde met als gevolg dat de ruimte der computers zich expandeerde zoals een stad in de Middeleeuwen. Virilio liet weten dat deze ontwikkeling hem zorgen baarde; een stedelijke ruimte moet structuur hebben wil hij niet totalitair worden. Omdat de mens steeds meer afstand doet van zijn eigen hersenen als controlemiddel voor zijn handelen, verliest hij het overzicht. Alle informatie nu omgezet in golfjes en deeltjes, geen materie meer, enkel nog een energetisch proces. Dit is een allesoverheersend paradigma, aangezien alle informatie die relevant voor de besturing van de actuele wereld zich tegenwoordig in het virtuele bevindt. Informatie als ideologie.
Er was eens kunstenaar die zijn visuele materiaal door de computer geboren liet worden. De transformaties die zijn beelden ondergingen waren oneindig. Zijn enthousiasme was juist de eindeloosheid van het virtuele beeld. Hij zag ook de ontwikkeling van de technische media in de kunst en ontfermde zich over de schilderkunst, juist vanwege zijn artificiële karakter. De fotocamera kon in een flits realiseren wat een kunstenaar eerder nagestreefd had: datgene in een vast beeld vatten wat de ogen zagen. De film overtrof dit nog. Ironisch genoeg waren kunstenaars in de tijd van deze nieuwe media allang weer op zoek naar iets anders. Ze wilden hun innerlijke emotie verbeelden, de surrealistische wereld van de droom of de absurditeit van de wereld om zich heen, de magie die buiten de objecten lag. De idee is altijd eerder dan de realisatie…
'In virtual reality schrijft de computer patronen voor die je moet herkennen, niet om ze te overzien, maar om er doorheen te zeilen, naar wat erachter ligt, het onvoorspelbare' (Arjen Mulder). Juist die onvoorspelbaarheid van het virtuele beeld is de kick van de postmoderne mens. De idee dat zijn mens-zijn en de techniek verenigd worden zou de uitweg kunnen zijn; de weg naar de ultieme vrijheid. Het scheppend vermogen van VR ligt weliswaar niet zozeer in het materiaal; eerder in het energetische. Het samenspel van de delen, de interactie; het 'ertussen'. Door de hersenen, de zetel van de subjectiviteit, te schakelen aan een computerprogramma, hoe klein of veelomvattend ook, loopt het subject over naar het object. De mens laat de machine in zich toe. Technologische vooruitgang bestond niet alleen in wetenschappelijke of gebruikerskringen, ook in de hoofden van de wereldbevolking: een eerste toelating van machines. Tegenwoordig is het normaliteit dat een antwoordapparaat je sociale leven domineert of dat je onderwezen wordt via een muisklik op één van de mogelijkheden die een educatieve CD-ROM op je beeldscherm projecteert. Dat we ons leven nu besturen via machines roept bij mij de vraag op of we er vrijer op zijn geworden. De computer is er het 'levende' voorbeeld van dat vrijheid wordt gezocht buiten de tastbare wereld. Ieder mens zijn eigen God, tezamen met miljoenen andere Goden. Het is niet meer belangrijk dat de mens zichzelf met zijn denken en bewustzijn boven de natuur kan verheffen om ervan bevrijd te worden. Vandaag de dag kan hij zich boven zijn eigen natuur laten uitstijgen. Dat is voldoende…
*
In dit verhaal heb ik het woord 'media' gebruikt als een begrip voor alles wat een middel is tot de verandering van onze blik op de werkelijkheid. Ik wist niet dat het medium zo'n belangrijke rol zou spelen toen ik begon met schrijven over Lyotard en zijn postmoderniteit. Het was mijn bedoeling aan te geven dat de kunstgeschiedenis de postmoderne beschouwing noodzakelijk in zich op moest nemen omdat universele Waarheid of rationele kennis an sich niet voldoende is voor de beleving van kunst. Wanneer een bouwwerk van tekens op het beeld afgevuurd wordt, teneinde het beeld te verklaren of in een context te plaatsen, zoals dit bijvoorbeeld in de semiotiek of de stilistiek gebeurt, mag er geen sprake meer zijn van Waarheid. Sterker nog, ikzelf heb het gevoel dat wanneer het rationele argument zich mengt in de kunstbeleving, (de boodschap van-) het kunstwerk zijn waarde verliest. Zo gebruikte de kunstenaar abstractie voor de expressie van zijn utopieën, zijn wereldbeeld of blik op de werkelijkheid, omdat het reeds bestaande beeld dit niet kon bevatten. Dit wereldbeeld kan alleen overgebracht worden wanneer de toeschouwer het beeld 'naakt' aanschouwt, dat wil zeggen: vrij van rationele (voor)oordelen. Theorieën zijn dooddoeners voor de kunst omdat kunst in principe buitentalig is. Het sublieme gevoel dat gepaard gaat met de esthetische aanschouwing moet in stand gehouden worden omdat het meer vertelt over het beeld dan de taal dat ooit zou kunnen. Generaties voor mij hebben het rationele; het meetbare altijd op de eerste plaats gezet bij de waarneming, waardoor het intuïtieve of gevoelsmatige op de achtergrond geschoven werd. De kunst is, naar mijn mening, nu juist een medium dat in de eerste instantie aanspraak maakt op de gevoelsmatige aanschouwing. Kunstbeschouwing, kunsttheorie of kunstgeschiedenis kunnen niet langer gezien worden als wetenschappen, omdat het weten geen deel uitmaakt van de kunst. Bijna tegelijkertijd met het ontstaan van abstracte kunst; kunst die niet langer een figuratieve nabootsing van de actuele werkelijkheid was, werd ook kunst in het leven geroepen die werd vervaardigd met technische hulpmiddelen. Sindsdien heeft kunst meer en meer aan zijn elitaire status ingeleverd. Datgene wat ik hier als elitair beschrijf is bijvoorbeeld bij Walter Benjamin de aura van het kunstwerk. Ik bedoel hiermee dat het kunstzinnige beeld toegankelijker werd zodra het via technische media tot stand kwam. De technische media van de twintigste eeuw hebben in dat opzicht een haast priesterlijke rol vervuld: zij brachten verschillende wereldbeelden bij de mensen thuis. Het fototoestel zorgde ervoor dat beelden vastgelegd en verspreid konden worden, de film bracht op zijn beurt kunstzinnige of informatieve beeldenreeksen aan de man. Het buitenmediale der technische media: datgene wat alleen kan bestaan omwille van de techniek, maar wat niet in de eerste instantie genoemd kan worden (denk aan een fotogeniek of Virtueel- Reëel beeld), én de mate waarin de technische beelden de actuele werkelijkheid verdraaien (denk aan lichtval bij fotografie, het camerastandpunt bij film, het monteren bij video of het mixen van beelden in de computer) hebben ervoor gezorgd dat de representatie van 'het werkelijke' niet meer mogelijk is. Technisch vervaardigde beelden zijn per definitie onwerkelijk, zij bestaan enkel in de geesten der beschouwers. Kunstenaars gebruiken ze om datgene uit te drukken wat er in hun geest omgaat, de politiek vanwege propagandamogelijkheden, commercie om de massa te laten consumeren, en ondertussen worden ze voor het grootste deel slechts gebruikt voor vermaak en verstrooiing. Televisie is daarvan het meest voor de hand liggende voorbeeld. De snelheid van beelden, het idealisme van concepten, de fragmentatie van de werkelijkheid is nog wel het grootst op de televisie. En aangezien het gemiddeld aantal televisies in de (Nederlandse) huiskamer meer dan 1,5 is, is het veruit het meest effectieve medium voor de verspreiding van deze beelden, concepten en werkelijkheden. De computer, een medium dat aan het einde van deze eeuw zo langzamerhand een eigen leven gaat leiden, staat inmiddels op een gedeelde eerste plaats. Het zijn lang niet alleen meer de zogenaamde 'nerds' die hun gezichten dagelijks laten beschijnen door dit kunstlicht. De PC maakt ons leven makkelijker omdat de geheugens minder worden belast, de communicatie gemakkelijker, goedkoper en sneller kan gaan. Omdat het een vluchtoord is voor diegene die de actuele werkelijkheid even niet aanstaat. Omdat het zoveel mogelijkheden biedt voor de creatie van een eigen werkelijkheid. Daar waar de televisie ons klaarstoomde voor een individualistische blik op de wereld, heeft de computer hem daadwerkelijk gerealiseerd. De verantwoordelijkheid voor het geziene wordt geïndividualiseerd doordat de interactiviteit van het medium een persoonlijke wereld creëert: de last van de actuele wereld valt weg. De computer maakt bovendien alle activiteit, elke blik of communicatie informatief, maar informatie is geen materiaal, geen tastbaar ding. Informatie is net zo'n puinhoop als de tastbare wereld die zij weerspiegelt en transformeert. Het is een spook dat zijn betekenis ontleend aan datgene wat zijn gebruiker ervan maakt…
Het containerwoord 'media' bestaat dus bij de gratie van de subjectiviteit, in ieder geval, dat is wat ik ervan heb gemaakt. Media moesten dus wel de hoofdrol krijgen in het postmoderne verhaal omdat juist zij degene zijn geweest die de fragmentatie, de verschillende geloofssystemen van de chaotische maatschappij in de hand hebben gewerkt en steeds op een andere manier hebben ge(re)presenteerd. Media zijn gekomen en gegaan, elkaar snel opvolgend en daarmee hebben ze ons laten beseffen dat niets vaststaat in de waarneming van de werkelijkheid. De zintuiglijke shocktoestand waar men in verzeilt raakte toen hij telkens weer in aanraking kwam met nieuwe media, heeft hem doen inzien dat werkelijkheid en subjectiviteit nauw met elkaar samenhangen. Drugs, snelheidsvoertuigen, kermisattracties, reclame en meditatie zijn evenzogoed middelen tot een veranderende perceptie als foto, film, video televisie en computers. De ervaring van de wereld om ons heen valt aan het einde van de twintigste eeuw samen met het gebruik van media. Techniek heeft veranderingen in ons veroorzaakt, evenals andere zintuiglijke manipulatiemethodes. De dialoog die de mens met zijn machines is aangegaan hebben een gevoel in hem opgewekt dat ruimte bestaat in ordes van zijn verwachtingen en tijd een onderdeel is van zijn eigen waarneming. Na vele eeuwen van vertraging en stroperige technologische en maatschappelijke ontwikkelingen is de laatste honderd jaar een acceleratie opgetreden, een tijdsverdichting die in het collectief onderbewuste een gevoel opwekt dat er iets staat te gebeuren. Maar omdat we nog steeds onze eigen toekomst niet kunnen voorspellen, groeit het gevoel dat we onderworpen worden aan de wereld der media. Weer een chaostheorie. Ik beschrijf in mijn verhaal de sublieme momenten die me inzichtelijk leken, maar ook die momenten kwamen voort uit media, en daarom zijn ze niet door mij alleen geschapen: ook mijn waarheid kwam met de media; ook mijn wereldbeeld is mediaal.
'De revolutie van de objecten is de virtuele wereld'
De virtuele werkelijkheid bestaat al zolang als het menselijk bewustzijn. De innerlijke aanwezigheid van beelden, geuren, geluiden en gedachten zijn het dubbelleven van de mens. In het hoofd, in de fantasie aanwezig, terwijl het handelen en communiceren buiten plaatsvindt. Dit buiten, de actuele, materiële wereld bepaald voor een groot deel het innerlijk. Wanneer we ons lichaam in een voertuig plaatsen bijvoorbeeld: het zicht op buiten wordt getransformeerd, objecten worden vage strepen of lopen in elkaar over. De prikkelingen voor onze biocomputer bepalen hoe onze virtuele werkelijkheid eruitziet. Tegenwoordig bestaat er een virtualiteit buiten het brein van de mens, een ruimte die hij weliswaar zelf bestuurt, maar ook een eigen leven leidt. Met het nabouwen van zijn bewustzijn, zijn denk- en verbeeldingscapaciteiten, heeft de mens een evenbeeld geschapen die perfecter is dan hemzelf. Zoek alle menselijke kwaliteiten bij elkaar, schrijf wat programma's voor de besturing van deze processen en je heb een superbrein geschapen die alles kan wat jij altijd al hebt gewild. Het virtuele beeld van de computer is compleet willekeurig, het kan alle vormen aannemen, behalve een massieve. De chaos van een wereld die zonder de mens kan functioneren, maar die hem meeneemt in zijn manipulaties. Cyberspace ontneemt het subject de uiteindelijke beslissingsmomenten en geeft hem er zijn alwetendheid voor terug. De interactiviteit zorgt ervoor dat het subject nog steeds gelooft in zijn positie als God wanneer hij voor het scherm zit. Zodra de persoonlijke databanken op een netwerk werden aangesloten werd de chaos compleet. Het zicht op de besturing vertroebelde met als gevolg dat de ruimte der computers zich expandeerde zoals een stad in de Middeleeuwen. Virilio liet weten dat deze ontwikkeling hem zorgen baarde; een stedelijke ruimte moet structuur hebben wil hij niet totalitair worden. Omdat de mens steeds meer afstand doet van zijn eigen hersenen als controlemiddel voor zijn handelen, verliest hij het overzicht. Alle informatie nu omgezet in golfjes en deeltjes, geen materie meer, enkel nog een energetisch proces. Dit is een allesoverheersend paradigma, aangezien alle informatie die relevant voor de besturing van de actuele wereld zich tegenwoordig in het virtuele bevindt. Informatie als ideologie.
Er was eens kunstenaar die zijn visuele materiaal door de computer geboren liet worden. De transformaties die zijn beelden ondergingen waren oneindig. Zijn enthousiasme was juist de eindeloosheid van het virtuele beeld. Hij zag ook de ontwikkeling van de technische media in de kunst en ontfermde zich over de schilderkunst, juist vanwege zijn artificiële karakter. De fotocamera kon in een flits realiseren wat een kunstenaar eerder nagestreefd had: datgene in een vast beeld vatten wat de ogen zagen. De film overtrof dit nog. Ironisch genoeg waren kunstenaars in de tijd van deze nieuwe media allang weer op zoek naar iets anders. Ze wilden hun innerlijke emotie verbeelden, de surrealistische wereld van de droom of de absurditeit van de wereld om zich heen, de magie die buiten de objecten lag. De idee is altijd eerder dan de realisatie…
'In virtual reality schrijft de computer patronen voor die je moet herkennen, niet om ze te overzien, maar om er doorheen te zeilen, naar wat erachter ligt, het onvoorspelbare' (Arjen Mulder). Juist die onvoorspelbaarheid van het virtuele beeld is de kick van de postmoderne mens. De idee dat zijn mens-zijn en de techniek verenigd worden zou de uitweg kunnen zijn; de weg naar de ultieme vrijheid. Het scheppend vermogen van VR ligt weliswaar niet zozeer in het materiaal; eerder in het energetische. Het samenspel van de delen, de interactie; het 'ertussen'. Door de hersenen, de zetel van de subjectiviteit, te schakelen aan een computerprogramma, hoe klein of veelomvattend ook, loopt het subject over naar het object. De mens laat de machine in zich toe. Technologische vooruitgang bestond niet alleen in wetenschappelijke of gebruikerskringen, ook in de hoofden van de wereldbevolking: een eerste toelating van machines. Tegenwoordig is het normaliteit dat een antwoordapparaat je sociale leven domineert of dat je onderwezen wordt via een muisklik op één van de mogelijkheden die een educatieve CD-ROM op je beeldscherm projecteert. Dat we ons leven nu besturen via machines roept bij mij de vraag op of we er vrijer op zijn geworden. De computer is er het 'levende' voorbeeld van dat vrijheid wordt gezocht buiten de tastbare wereld. Ieder mens zijn eigen God, tezamen met miljoenen andere Goden. Het is niet meer belangrijk dat de mens zichzelf met zijn denken en bewustzijn boven de natuur kan verheffen om ervan bevrijd te worden. Vandaag de dag kan hij zich boven zijn eigen natuur laten uitstijgen. Dat is voldoende…
*
Geen opmerkingen:
Een reactie posten